Haaientanden?
Ik heb weleens verteld dat ik voor de katholieke kerk herdenkingskruisjes maak, toch?
Of nou ja, iemand anders maakt het kruisje van eikenhout en ik brand daar met een speciale brandpen de naam van de overledene op, met de data van geboorte en overlijden.
In tegenstelling tot vroeger toen de katholieke kerken dagelijks open waren, en je naar binnen kon gaan wanneer je maar wilde, is dat nu al lang niet meer zo.
Zo’n herdenkinskruisje kan ik dus alleen afgeven op bepaalde dagen dat de kerk een paar uurtjes open is. Op donderdag bijvoorbeeld.
Dat betekent: een geplande donderdag vandaag.
Vroeg uit de veren. Dan breng ik eerst het kruisje weg en haal ik op de terugweg bij de super even wat broodjes voor de lunch straks. En oh ja… ook (tja, wat zullen we?) eten voor vanavond.
Ik lijk er maar niet aan te kunnen wennen dat Don op donderdag alleen ’s morgens werkt en na het middaguur thuis komt lunchen.
Ooit was het zijn langste werkdag, want tot de lockdown was donderdag koopavond.
Onvoorstelbaar dat hij tientallen jaren ’s morgens dan al om acht uur de deur uitging en als het meezat pas ’s avonds tegen tienen thuis kwam.
Vandaar dat ik die dag als ‘mijn dag’ beschouwde — ik hoefde nergens rekening mee te houden.
Nu is dat anders. Mijn donderdagen voelen ‘gebroken’. Vooral mijn schrijfmomenten voelen als ‘tussendoortjes’. Soms voelt het gek genoeg nog steeds als “even wennen”.
Het is een druilerige ochtend en het miezert als ik in mijn auto een haaientanden- fietsoversteek nader. En dan bedoel ik dat er haaientanden op het fietspad staan.
Als ik naar rechts kijk, zie ik een meisje aankomen rijden.
Automatisch minder ik vaart — ook al heb ik voorrang — maar het meisje remt haar fatbike keurig af, staat stil en kijkt naar links, naar rechts en nog eens naar links.
Goed zo, denk ik nog even…
…maar het volgende moment schrikken we ons allebei te pletter.
Een wat oudere jongedame op een gewone fiets sjeest het meisje met een sneltreinvaart voorbij en steekt, zonder op wie dan ook te letten, de weg over.
Stoïcijns en waarschijnlijk op hoop van zegen.
Aaarghhh… je zou zo’n griet!
Ik onderdruk een grondige vloek, uit een soort eerbied voor het herdenkingskruisje dat naast me uit mijn tas steekt.
Pas later vraag ik me af: stel dat het tot een aanrijding had geleid?
Omstanders helpen tegenwoordig niet altijd direct, maar filmen eerst.
En voor je het weet sta je al op social media nog vóór je thuis bent.
Bovendien vraag ik me in dit geval dan ook af: Zou het meisje met de fatbike dan ook genoemd worden?
Vast wel, maar in welke context?
En zou iedereen haar dan al bij voorbaat veroordelen?
(Zelfs als onschuldige, want ja… een fatbike hè)
Typisch gevalletje: dingen zijn niet altijd wat ze lijken.
Op de terugweg naar huis passeer ik weer de fietsoversteek en nu schiet me ineens een totaal ander beeld te binnen.
Het was tijdens een werkdag. Ik begeleidde Rob (die in werkelijkheid anders heet), een volwassen jongeman met een autismespectrumstoornis (ASS).
Hij zat naast mij in de auto toen we samen boodschappen gingen doen.
We naderden een fietsoversteek waar van rechts een jongedame op een fiets kwam aanrijden.
“Pas op! Pas op, vrouw op fiets!!” riep Rob licht paniekerig.
Ik stelde hem gerust:
“Ja, ja, ik heb haar gezien. Maar kijk, ze stopt al. Zij heeft trouwens haaientanden en ik heb voorrang.”
Een langgerekt: “Echt wááár??” klonk verbaasd naast me.
Rob keek me van opzij met grote ogen aan.
“Kon je dat zien dan? Ik zag het niet hoor.”
“Ze stonden toch echt duidelijk op het wegdek aangegeven,” zei ik eerst nog serieus, maar het volgende moment schoot ik in de lach en dacht bij mezelf: oh nee…
Dit was namelijk zo’n moment waarop ik er even niet bij stil had gestaan:
mensen met ASS nemen dingen nogal eens letterlijk.
Zo zei ik ooit dat iemand naast zijn schoenen liep van verwaandheid.
Onmiddellijk werd dat gecheckt en kreeg ik terug:
“Nee hoor, hij heeft ze gewoon aan.”
Dat dus.
En nu: dit dus.
Kon ik mooi — met ingehouden lach — uit gaan leggen dat de dame op de fiets een normaal gebit had.
Grinnik.
Afijn, nu ben ik weer thuis.
Terwijl mijn laptop opstart en ik mijn boodschappen in de kast opberg, denk ik:
hoe vaak zeggen we eigenlijk iets… en bedoelen we iets heel anders?
Hmm, kan ik deze spinsels ombouwen tot een blog?
En hoe noem ik ’m dan?
Haaientanden?
Ontdek meer van bonblog
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Gisteren hadden we het toevallig nog over de korenbloemen 😉