Van Benson tot ABP
Give me the night… oh yeah… Ik blèr het luidkeels mee in mijn auto.
Het is 1996, veel te vroeg in de ochtend. Onderweg naar dat gebouw met die eindeloze trappen, kom ik niet op de naam van die zanger.
Zijn tekst spreekt me wél aan: geef me de nacht — want eerlijk gezegd had ik nog best wat langer willen slapen. Het is (naar mijn zin té) vroeg, en het wordt een drukke dag.
Vandaag passeren honderden mensen elkaar in het gebouw. Op weg naar een vergadering, symposium, tentoonstelling, koffiepauze, lezing, lunch, college, borrel.
En samen met mijn collega’s is het onze taak om dat allemaal in goede banen te leiden.
Gimme the night… jubel ik nog een laatste refrein mee — hoe heet die vent nou toch?
Ik parkeer mijn auto op het terrein van het Aula Congrescentrum van de TU in Delft.
Ik ben amper door de schuifdeuren of collega Jan duikt op.
“Ze hebben nog een be-amer nodig, staat niet op het lijstje. Waar moet dat ding heen?”
Schakelen. Dat lied moet uit mijn hoofd. Nu.
“Mogguh Jan.”
Ik frons mijn wenkbrauwen. Be-amer? Het klinkt als een apparaat om iemand te beademen.
Dan schiet ik in de lach.
“Een bíémer, Jan.
Beamer, aan elkaar.
En wie zijn ‘ze’?”
We lopen samen naar mijn bureau, daar liggen de draaiboeken voor vandaag. Ik blader erdoorheen en de deur zwaait alweer open.
Het is George, nog zo’n vroege vogel.
“Zeg Groenewout, kom jij zo even boven kijken bij die tentoonstelling? Volgens mij klopt er iets niet met de elektra en de pc’s die ze hebben meegenomen…”
Hij ratelt door. Ik hoor hem wel, maar ineens weet ik het.
“George!” roep ik.
Hij valt stil.
“Nee, niet jij — George Benson! Zo heet hij van Give me the night…”
Jan en George kijken me aan alsof ik het spoor bijster ben.
“Laat maar,” grinnik ik. “Kom, we gaan.”
We zijn amper de deur uit en daar staat Frans.
“Luister eens Bon, in het Auditorium moet die klant van gisteren echt z’n spullen weghalen. Zo kan ik niet opbouwen voor vanmiddag.”
“Ik ga erachteraan, Frans. Je hoort van me,” beloof ik.
Eerst Jan en George.
Trap op. Trap af. En doorrrrr.
Bij de tentoonstelling.
Een standbouwer vraagt mij om bevestigingsmateriaal voor posters.
Heb ik. Haal ik.
Halverwege klampt de organisator van het symposium mij aan:
“Mevrouw, er zijn vijfentwintig deelnemers extra… eh… lukt dat nog met de lunch?”
“Ik ga dat voor u regelen, u hoort het zo van mij.”
In de keuken. Op zoek naar de maître.
“Paul, kan dit nog?”
Natuurlijk kan dat. Vijfentwintig extra voorafjes. Lunchbuffet wordt uitgebreid.
Nog een verdieping lager, het domein van de opbouwers.
“Jongens, kunnen er boven extra lunchtafels bij aan de zuidkant?”
“Daaaank!” roep ik langgerekt, alweer op weg naar boven.
Bij de receptie gris ik de post uit ons vakje.
Pfff… ik heb al best wat meters gemaakt.
Vooruit, één keer met de lift.
“Give me the night… whoohoo… whoohoo…”
Niet denderend, maar het galmt zo lekker in een lift.
Ik stap uit bij de catering en pik daar een kan koffie en een kan thee mee.
Op kantoor zijn de anderen inmiddels binnen.
“Mogguh dames! Koffie of thee?”
Na het inschenken, bel ik de klant van gisteren.
“Zou u uw spullen uit het Auditorium willen ophalen?”
En daarna Frans: “Het is geregeld hoor!”
“Bedankt Bon!”
Ik neem net een slok van mijn thee als de deur opengaat.
Een nog niet geziene collega, die met een knipoog constateert:
“Tjonge jonge… moet je nou eens kijken. Ze zit nu al aan de thee. Jij hebt toch een luizenleventje hè? Ja, ja… een échte ambtenaar.”
Ik trek één wenkbrauw op en knijp mijn ogen samen. Ik wil iets zeggen.
Maar ik zwijg wijselijk en haal mijn schouders op.
Ik draai me om en start mijn computer.
“Gimme the niiiiiight!” zing ik — tot grote ergernis van de rest.
2026:
Vandaag kreeg ik een mailtje van het ABP. Mijn pensioen is onderweg.
Ik glimlach.
Dat “luizenleventje” van toen? Blijkt achteraf verrassend waardevol.
Ontdek meer van bonblog
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
